Wat is een skald? In brede zin is dit de benaming voor een Noord-Germaanse dichter. De voornaamste reden dat ik de naam hanteer is herkenbaarheid. De term ‘skald’ is namelijk onlosmakelijk verbonden met twee typische stijlmiddelen.

De dichtvorm die de skald hanteert, stafrijm ofwel Germaans rijm, dat is iets heel bijzonders. Oswald Spengler zei het zo: “Het stafrijm creëert een ingehouden spanning in het lege, grenzeloze, een ver onweer in nachten boven de hoogste bergtoppen.” Zo wil ik het stafrijm aanwenden om een verheven stijl uit te drukken, om zo het Veluws landschap in zijn grootsheid voor het geestesoog te ontvouwen.

Stafrijm steunt op alliteratie. Beklemtoonde lettergrepen behoren een gelijke beginklank te kennen. ‘Stafrijm’ allitereert met ‘stilzwijgen’. ‘Alliteratie’ allitereert met ‘rondgang’. In deze voorbeelden draait het om gelijke medeklinkers. Het zij opgemerkt dat s-, sch-, sk-, sp- en st- als afzonderlijke medeklinkers beschouwd moeten worden. De verschillende klinkers allitereren ook met elkaar. ‘Oosten’ allitereert dus met ‘verarming’. Soms is er een alliteratie verborgen in de schrijfwijze. ‘Majestueus’ allitereert met ‘wereld’. De klank is dus leidend, niet de schrijfwijze. In de hier later volgende voorbeelden zijn de alliteraties dikgedrukt.

De Germaanse dichtkunst komt in verscheidene versvormen. Mijn werk gaat bijvoorbeeld uit van fornyrðislag en ljóðaháttr, die ik respectievelijk het Oude Metrum en Liedmetrum noem.

Het Oude Metrum bestaat uit steeds vier versregels. Elk vers kent twee halfverzen. Elk halfvers kent twee beklemtoonde lettergrepen, heffingen genaamd. We tellen dus vier heffingen per versregel. De derde heffing allitereert vervolgens met een of beide heffingen in het eerste halfvers. De vierde heffing allitereert met geen van de heffingen noch met de eerste heffing van de volgende versregel. Als voorbeeld dient de eerste strofe van “Minneschemering”.

Vervloek de vrijer,   vrees mijn toorn!
Aan kwel en kommer   klamp je vast.
Kruip in krochten   van kwijnend licht,
bij nacht en ontij   oogst je doem.

Het Liedmetrum is wat betreft de oneven versregels hetzelfde. De even versregels kennen echter slechts drie heffingen, waarvan er twee intern allitereren. Als voorbeeld volgt het begin van “De Groene Tempel”.

Het warme bos,   een bed van mos;
dít is het windstil woud.
Het immer groen,   voor altijd jong,
met vruchten goud omglansd.

Voorts maakt een skald rijkelijk gebruik van de kenning. De kenning is een stijlfiguur om begrippen of namen te duiden. Meestal bestaat het uit twee woorden die tezamen een andere betekenis vormen dan de woorden afzonderlijk. Het zij opgemerkt dat vele kenningen slechts te begrijpen zijn binnen hun mythische context en dientengevolge alleen voor ingewijden. Als voorbeeld geef ik daarom twee eenvoudige kenningen, te vinden in mijn werk “De Gelderse Draak”: ‘de zwanen der krijg’ betekent ‘raven’, en ‘glans der strijd’ drukt ‘zwaard’ uit.

Het moge duidelijk zijn dat bovenstaande slechts zéér beknopt een idee geeft van de uitdrukkingsmiddelen van een skald. Het staat nog verre van de ingewikkelde krachttoeren van de skalden aan de hoven van Noordse vorsten. De Veluwse skald houdt het hoe dan ook eenvoudig.