De kind’ren der weide,   het kleine volk,
op blauwe beentjes,   verborgen in gras,
gepunte kapjes   in paarlenglans,
vaalwitte vruchten,   het vlees der goden.


Mark Bertszoon, april 2018

Geef een reactie

Een mist van zand   om mulle duinen,
bijna boomloos,   de barre heide.
Eeuwen oud   op open vlakte,
de weinig bomen   in wijde omtrek.
Stille gestalten,   stevig verankerd;
vreemde vormen   in het vale land.
Winden wakkeren,   wissen sporen,
van woud verweesd,   geworteld in niets.
Boze bomen,   blote wortels;
kale klauwen   krommen in aarde.
Het zand de baas,   geboomte fier,
grotesk getakt   op de top van een bult.
De wind verwaait   hun wilde zaad,
tot het woud herwint   zijn weidse rijk.


Mark Bertszoon, augustus 2018

Geef een reactie
  1. Voor volk noch vee
    een veilig thuis;
    op gebeente verbrijzeld
    in ’t barre oord,
    de draak verdoken
    bij d’oude eik,
    het zwerk gevuld
    met zwarte nevels.

  2. Hoe gutste de gal
    uit grauwe muil!
    De dool der draak,
    bedreiging groot,
    doof voor gebeden,
    brenger van kwaad,
    het geprevel der priesters
    proefde naar angst.

  3. Durf was dringend,
    een duchtige slag;
    eens en voor al
    het ondier te lijf!
    De heren van Pont
    hieven het zwaard;
    voor volk en grond,
    vrij van onheil.

  4. Wichard en Lupold,
    op leven en dood,
    beslopen het beest,
    op slachting tuk.
    Gulzig en gram,
    groot hun nijd,
    machtig het houwen
    van magisch staal.

  5. De glans der strijd
    in gapende wond.
    Gelre! Gelre!
    galmde ’t rond.
    De draak was dood,
    drink zijn bloed!
    Leve Lupold!
    Leve Wichard!

  6. Broeders in bloed,
    beten zich vast,
    de romp was gereten,
    rood was al.
    De zwanen der krijg
    zwolgen in sap,
    in vijvers van bloed,
    baadden tevree.

Mark Bertszoon, juli 2017

Geef een reactie